Spanje

Galicië

22/08/2014 De Spaanse autonome regio Galicië werd in 1972 opeens kortstondig wereldwijd bekend vanwege de door Julio Iglesias gezongen hit ‘Un canto a Galicia’.
Gelukkig liet het internationaal toerisme in de decennia daarna de kusten van Galicië links liggen ten faveure van onder meer Costa del Sol, Costa Brava en Costa Blanca. Gelukkig, omdat daardoor Galicië ook vandaag de dag voor een groot deel nog steeds een onontdekte parel is. 

Langzaam zakt de inktvis met zijn vervaarlijk uitziende tentakels kopje onder in het door zijn voorgangers al zwartpaars gekleurde kookwater, dat in een forse koperen pan op het terras van restaurant Casa Chacho staat te pruttelen. Luisa, de vrouw die achter de pan staat, trekt met een stevige metalen haak de inktvis af en toe weer boven water om zijn staat van gaarheid te controleren, waarbij we de vele honderden zuignappen op de tentakels goed kunnen aanschouwen. Oké, dit monster gaan we zo meteen dus eten als pulpo gallego. Welkom in Galicië!

We zijn in het gezellige kustplaatsje Pontedeume nabij de grootste stad van Galicië, A Coruña. Casa Chacho geldt als hét adres om pulpo te eten, zo hebben we ons even tevoren op de drukke zaterdagmarkt laten vertellen. Zodra de inktvis door Luisa gaar is bevonden, begint ze met een bovenmaatse huishoudschaar de tentakels geroutineerd in stukjes van ongeveer een centimeter te knippen. Binnen de kortste keren heeft ze een racion bij elkaar geknipt die ons ruim voldoende lijkt als lunch voor ons beiden. De stukjes worden op een verweerd houten bord gelegd, ruim paprikapoeder, zeezout en olijfolie er op en het feest kan beginnen. “Buen provecho(eet smakelijk)”, zegt Luisa lachend tegen ons, en dat is volledig terecht want het is een zeldzaam lekkere maaltijd die ze ons voorschotelt. Eigenlijk moet je hier cider bij drinken, een andere regionale specialiteit, maar aangezien dit ook het gebied van de beroemde Albariño-druif is, bestellen we een lekker royaal glas van deze heerlijke frisse witte wijn.

Camino
Een paar dagen eerder zijn we vanaf vliegveld Weeze (net over de grens bij Venlo) naar Santander in de regio Cantabria gevlogen. Ons doel is om via het voormalige prinsdom Asturië naar Galicië en de Douro-vallei in Noord-Portugal te rijden, een trip van in totaal zo’n 2.500 kilometer. De kust van Asturië staat ook wel bekend als de Costa Verde, en meteen op de eerste dag wordt ons al duidelijk waarom het hier zo groen is: de regen valt met bakken uit de loodgrijze hemel. Dat is in deze drie noordelijke regio’s niet ongewoon: sterker nog, het gebied is ongeveer net zo regenrijk als Nederland. De vele felgekleurde huizen in dit gebied zorgen voor een vrolijk contrast met de donkere wolken. Gelukkig zijn het meestal korte buien en laat net zo snel als de wolken soms komen, ook de zon zich weer zien. De ochtend is dan ook nog niet voorbij, of we zitten in het intieme vissersplaatsje Porto do Barqueiro aan de koffie op het zonovergoten terras van bar-restaurant Estrellas del Mar. De eigenaresse vindt half twaalf kennelijk geen tijd meer voor koffie, want ze serveert er een schaaltje gezouten nootjes en wat hartige hapjes bij. Gedwee als we zijn, besluiten we er toch maar een glas wijn bij te bestellen…

De noordkust heeft ontelbare inhammen, ria’s genoemd, en ver in zee uitstekende rotspartijen. Spectaculair om te zien, maar niet ongevaarlijk als je in zee wil zwemmen. De kleur van het water van de Atlantische Oceaan kan met gemak de concurrentie van de veelbezongen Middellandse Zee weerstaan. Langs de weg zien we op talloze plaatsen de kenmerkende hórreos, kleine graanschuren die op pilaren zijn gebouwd zodat muizen en ander ongedierte niet binnen kunnen komen.

Als je in deze contreien onderweg bent, is het onvermijdelijk dat je met enige regelmaat peregrinos (pelgrims) tegenkomt die de camino (bedevaartsroute) lopen, op weg naar het wereldberoemde bedevaartsoord Santiago de Compostella, de hoofdstad van Galicië. Santiago heeft al vanaf de middeleeuwen de status van heilige stad en de bedevaart er naartoe is in onze jachtige tijd populairder dan ooit tevoren. De elke dag arriverende pelgrims, de meesten te voet maar ook veel per fiets, zorgen voor een bijzondere sfeer in het authentieke oude stadscentrum met zijn vele pleintjes, kerken en smalle straatjes. Als bezoeker voel je als het ware de spiritualiteit die uitgaat van zo veel pelgrims die niet alleen letterlijk, maar vooral ook figuurlijk elk met een eigen ‘rugzak’ de camino hebben gevolgd. De een loopt voor een familielid met kanker, iemand anders is op zoek naar zichzelf na een zware burn-out: iedereen heeft zijn eigen verhaal, en dat maakt Santiago de Compostella zo uniek. Tijdens de elke dag opnieuw drukbezochte missen in de kathedraal voel je letterlijk de emotie.

Als we Santiago de Compostella verlaten, besluiten we om naar de circa 50 kilometer zeewaarts gelegen Cabo (kaap) Finisterre te rijden, het meest westelijk gelegen stukje Europa. De rit erheen is subliem, de kaap zelf is overweldigend mooi, beslist een van de hoogtepunten van de reis. Finisterre betekent ‘einde van de wereld’, en dat gevoel krijg je hier daadwerkelijk. Sommige pelgrims lopen vanuit Santiago de Compostella nog een paar dagen verder om uiteindelijk op de Cabo Finisterre hun wandelschoenen te verbranden, hoewel dit laatste officieel verboden is. Wij houden onze schoenen gewoon aan, en genieten van de oneindigheid van het uitzicht over de Atlantische Oceaan.
We besluiten in het nabijgelegen plaatsje Muros te overnachten en komen uit in een eenvoudige hotelletje met een nogal merkwaardige naam ‘Hotel Marbella’, maar ook met een uiterst fraai gelegen panoramarestaurant aan de baai van Muros. Met een joekel van een verse zeetong op het bord, een gekoelde fles Albariño onder handbereik en een adembenemend mooie zonsondergang heeft een mens dan weinig meer te wensen.

Tablet
Onze vrijheid-blijheid manier van reizen om tot op het laatste moment niets te reserveren bevalt uitstekend. Met behulp van de meegenomen tablet-pc en de onvolprezen website booking.com is het een fluitje van een cent om ’s ochtends op de kaart te kijken tot waar je die dag wilt rijden en vervolgens binnen twee minuten een leuk hotel vast te leggen. Een echte aanrader. De Portugese grens begint dichterbij te komen, maar eerst mogen we vanaf Europa’s grootste vissershaven Vigo nog een 60 kilometer lange en buitengewoon schilderachtige weg pal langs de oceaan rijden, die ervoor zorgt dat de camera overuren maakt. De grens met Portugal wordt hier gevormd door de Rio Minho, dus zodra we in het plaatsje Goían de brug zijn overgestoken, bevinden we ons in Noord-Portugal. Ons reisdoel is de stad Viana do Castelo, van waaruit we tevens Braga en Guimarães willen bezoeken. In 2012 waren deze twee steden samen culturele hoofdstad van Europa en ze staan al enkele jaren op ons verlanglijstje van te bezoeken plaatsen.
Viana blijkt een leuke en gezellige stad te zijn, mooi gelegen aan de Rio Lima. Als we de eerste avond op zoek gaan naar een restaurant komen we uit bij een etablissement genaamd ‘Café Sport’. Op zich al geen veelbelovende naam en de toevoeging ‘Snackbar’ doet ons het ergste vermoeden. Niets blijkt minder waar, en onze ‘bijbel’ de Trotter reisgids heeft weer eens gelijk: Café Sport is een zeer traditioneel maar keurig ingericht restaurant waar de bediening nog werkt zoals het hoort. We eten er een werkelijk voortreffelijke bacalhau (kabeljauw), het nationale gerecht in Portugal. De eigenaar vindt het maar wat bijzonder om buitenlanders in zijn zaak te hebben en twee flessen wijn later nemen we als vrienden afscheid. De Portugese gastvrijheid is werkelijk hartverwarmend.

Braga en Guimarães zijn allebei geen al te grote steden en daardoor prima in één dag te bezoeken. Guimarães is voor ons de onbetwiste winnaar door zijn kleinschalige en intieme centrum, maar ook Braga is een bezoek meer dan waard. Natuurlijk eten we er de beroemde ‘pasteis de Belem’, de kleine gebakjes met vanillecrème die je in heel Portugal tegenkomt.

Vallei
Het wordt tijd om de terugweg richting Santander te aanvaarden. We zijn langs de Asturische en Galicische kust richting Portugal gekomen, en besluiten via de Douro-vallei, de Spaanse stad Salamanca en het Nationaal Park Picos de Europa terug te rijden. De overdadig met wijngaarden beplante hellingen van de Douro-vallei overtreffen al onze verwachtingen van dit gebied. Voor wijnliefhebbers is het een regelrechte aanrader om de Douro twee of drie dagen te bezoeken. In Porto kun je in een van de vele wereldberoemde porthuizen volop proeven van de portwijnen, maar meer richting binnenland kun je in lieflijke dorpjes zoals bijvoorbeeld Pinhao bij lokale wijnmakers ook de ‘gewone’ wijnen proeven. We zijn aangenaam verrast door de hoge kwaliteit van de Douro-wijnen.

Onze reis begint ten einde te lopen. Een overnachting in het leuke plaatsje Potes in Nationaal Park Picos de Europa is een waardige afsluiting van een reis met vele hoogtepunten. Als we de huurauto inleveren staat er maar liefst 2.500 kilometer op de teller, maar elke gereden kilometer was het méér dan waard. Galicië en Noord-Portugal zijn geen massa-bestemmingen, en juist daarom de uitdaging van een ontdekking meer dan waard.